Ongetwijfeld is de streek tussen Brugge en de kust één van de mooiste gebieden van Vlaanderen en het is ook een ideale fietsstreek.
Aan bewegwijzerde routes geen gebrek, aan gezellige kroegen onderweg nog minder en altijd is daar dat schitterende landschap met aan de horizon de fiere torens van de Breydelstad of de goudgele duinengordel langs de zee.
De zesdaagse tocht door het achterland van de kust is zeer gevarieerd. Het gaat van Roeselare, winkelstad met het Nationaal Wielermuseum, naar Ieper met de mooie Lakenhallen en door een streek die getekend is door oorlog en geweld. Het zijn de loopgraven, de kerkhoven volgestouwd met eenvoudige grafstenen van jonge mannen uit alle hoeken van de wereld die ons blijven zeggen ‘nooit meer oorlog!'. We fietsen langs bochtige wegen, van het ene fietsknooppunt naar het andere, van de ene bezienswaardigheid naar de andere: een kapel, een windmolen, een Romaanse toren, een eeuwenoude boerderij, een herberg, een kanaal met bomen omzoomd, ...
We fietsen verder door de Westhoek en langs de mooiste plekjes van het Heuvelland. Klimwerk is er niet, ook al spreken we hier over ‘bergen'. In het vlakke landschap zien we de torens van de dorpskerken, de toren van Diksmuide en als het weer helder is de kustlijn.
In de regio tussen Brugge en de kust stromen bochtige riviertjes en lopen lijnrechte kanalen. Er langs liggen fietspaden, weg van het gemotoriseerd verkeer en veilig.
De overnachting in het middeleeuwse Brugge is uiteraard een hoogtepunt en we gaan hier zeker niet voorbij aan de streekbieren. Maar niet te veel Straffe Hendrik of Brugse Zot want de volgende dag zitten we alweer op de fiets, langs de Kastelenroute, door de bossen in de Brugse rand, terug naar Roeselare waar we ofwel huiswaarts keren ofwel opteren voor een extra nacht.